Vier vragen en antwoorden over het geweld in Noord-Syrië
26 Jan 2026
5 minuten
Sinds begin 2026 laait het geweld opnieuw op in het noorden van Syrië. Nadat de door de Syrische Koerden gedomineerde SDF uit de stad Aleppo werden verdreven, startte het Syrische regeringsleger een grootschalig offensief tegen het door de SDF gecontroleerde noordoosten van het land.
11.11.11 werkt er plekke samen met verschillende Syrische organisaties. Onze Midden-Oostenexpert Willem Staes beantwoordt enkele vragen over het geweld, onze partners en de toekomst.
1. Wat gebeurde er de afgelopen weken in Noord-Syrië?
Na maanden van oplopende spanningen braken op 6 januari 2026 gevechten uit tussen het Syrische regeringsleger en strijders van de “Syrische Democratische Strijdkrachten” (SDF). Die door de Syrische Koerden gedomineerde militie bouwde het afgelopen decennium een “Autonome Administratie” uit in grote delen van noordoost-Syrië.
Na drie dagen van gevechten – met wederzijdse beschuldigingen van schendingen van het internationaal recht – werd onder Amerikaanse bemiddeling op 9 januari een eerste staakt-het-vuren afgesproken. Hierdoor zouden de SDF-strijders zich terugtrekken uit de stadswijken Sheikh Maqsoud en al-Ashrafiyeh.
Op 10 januari lanceerden SDF-strijders een drone-aanval op Aleppo, waarbij onder meer het stadhuis werd geviseerd, waar op dat moment twee Syrische ministers aanwezig waren.
Na dagen van oplopende spanningen en militaire opbouw aan beide kanten en zware Amerikaanse druk, kondigde SDF-leider Mazloum Abdi op vrijdag 16 januari aan dat zijn troepen zich zouden terugtrekken uit het oostelijke platteland rondom Aleppo en zich zouden verplaatsen naar het gebied ten oosten van de Eufraatrivier.
Diezelfde dag ondertekende de Syrische interim-president Al-Sharaa “decreet 13”. Syrische mensenrechtenorganisaties onthaalden dit als een (eerste) stap in de goede richting. Het nieuwe decreet erkent onder meer burger- en culturele rechten voor Syrische Koerden, het Koerdisch als nationale taal, en verbiedt discriminatie op basis van etniciteit of taal. Tegelijk waarschuwen mensenrechtenorganisaties dat het decreet belangrijke lacunes vertoont.
Hoewel de SDF-terugtrekking de volgende ochtend (17 januari) grotendeels werd uitgevoerd, braken diezelfde dag opnieuw gevechten uit. Terwijl het Syrische regeringsleger oprukte richting de stad Tabqa , deserteerden niet-Koerdische facties op grote schaal uit de SDF.
Mensenrechtenorganisaties waarschuwen ondertussen voor de ernstige humanitaire gevolgen. Syrische regeringstroepen omsingelden de Koerdische stad Kobani. Contacten van 11.11.11 in noordoost-Syrië trekken aan de alarmbel over wijdverspreide haatspraak tegen Koerden, die in lokale (sociale) media worden afgeschilderd als “terroristen” of “ongelovigen.” Er duiken ook steeds meer video’s op van standrechtelijke executies en de vernieling van Koerdische graven, uitgevoerd door aan de regering gelieerde strijders.
Volgens VN-organisatie OCHA waren op 21 januari ongeveer 165.000 mensen intern ontheemd doorheen het noorden van Syrië.
2. Komt dit geweld uit het niets?
Neen. Nadat begin 2025 de spanningen in noordoost-Syrië opliepen, bereikten de interim-regering en de SDF op 10 maart 2025 een politiek akkoord over de politieke en militaire integratie van de SDF in het nationale bestuur.
Dat akkoord beloofde onder meer:
- een staakt-het-vuren,
- civiele en grondwettelijke rechten voor de Koerdische gemeenschap,
- de integratie van alle door de SDF gecontroleerde instellingen (inclusief grensovergangen, luchthavens en olie- en gasvelden) in de Syrische overheid,
- en een gezamenlijk front tegen terrorisme en haatspraak.
De uitvoering moest tegen eind 2025 afgerond zijn. Dat gebeurde niet.
Clashes tussen de SDF en het Syrische regeringsleger bleven zich voordoen en onderhandelingen over de verdere uitvoering van het akkoord liepen vast.
De bloedbaden tegen etnische minderheden in maart en juli 2025 aan de Syrische kust en in de zuidelijke provincie Sweida versterkten bovendien de angst onder Koerden om hun autonomie in noordoost-Syrië op te geven.
In augustus 2025 concludeerde de VN-Onderzoekscommissie voor Syrië dat zowel eenheden van het Syrische regeringsleger als strijders gelieerd aan de regering oorlogsmisdaden pleegden tegen alawitische burgers. In oktober 2025 waarschuwde dezelfde commissie voor een verontrustende toename van sektarische haatspraak en geweld tegen vrouwen, inclusief gevallen van gedwongen verdwijning, ontvoering, seksueel geweld en gedwongen huwelijken.
3. WAT DOEN 11.11.11-PARTNERS OP HET TERREIN?
11.11.11 werkt al verschillende jaren samen met Syrische mensenrechtenorganisaties. Zo documenteren Syrians for Truth and Justice (STJ) en Hevdesti in het noorden van Syrië tal van mensenrechtenschendingen. STJ kondigde op 19 januari ook de oprichting aan van een monitoringmechanisme om toe te zien op de effectieve uitvoering van decreet 13.
Gezien de enorme humanitaire noden startte 11.11.11-partner Olive Branch onmiddellijk de verdeling van winterkledij voor 12.000 personen in Aleppo en Idlib. De organisatie bereidt daarnaast ook extra interventies voor in noordoost-Syrië, waaronder voedseldistributies en activiteiten voor kinderen.
4. Hoe moet het nu verder?
Nauwelijks een jaar na de historische val van het Assad-regime (8 december 2024) staat Syrië opnieuw op een kruispunt. De manier waarop de situatie in noordoost-Syrië de komende dagen en weken evolueert en aangepakt wordt, zal verregaande gevolgen hebben voor de toekomst van het hele land.
De EU en haar lidstaten moeten hun diplomatieke inspanningen verdubbelen om tot een permanent staakt-het-vuren te komen. Ze moeten blijven aandringen op een inclusieve politieke transitie, waarin de rechten van alle minderheden centraal staan en jongeren en vrouwen een centrale rol kunnen spelen.
De Europese Unie, die momenteel werkt aan een nieuwe Europese Midden-Oostenstrategie, kan een belangrijke rol spelen in de politieke transitie, en moet nauw toekijken op de effectieve uitvoering van het akkoord van 10 maart en decreet 13.
Een inclusieve transitie vereist ook verantwoording voor schendingen van het internationaal recht. Ook hier kunnen Europese landen een belangrijke rol spelen, door:
- de Syrische regering op te roepen om alle schendingen te onderzoeken en de schuldigen te bestraffen;
- de VN-Onderzoekscommissie voor Syrië te verzoeken om een onafhankelijk onderzoek naar alle schendingen begaan sinds 6 januari 2026 uit te voeren;
- sancties op te leggen aan politieke en militaire verantwoordelijken voor mensenrechtenschendingen, via het EU Global Human Rights Sanctions Regime;
- En Syrische organisaties te ondersteunen die mensenrechtenschendingen documenteren en aan transitional justice werken.
11.11.11 roept de federale regering daarnaast op om middelen vrij te maken voor de humanitaire noodsituatie in noordoost-Syrië, via het Syria Humanitarian Fund van de Verenigde Naties.
Willem Staes
Coördinator Midden-Oosten